Het verhaal van Frans Sneep

“We werden op zondagmorgen 1 februari al vroeg gewekt doordat er met steentjes tegen het raam gegooid werd. “Eruit, heel Heijningen staat onder water!”  werd er geroepen. Het was Joke, de dochter van smid Van der Giesen uit Heijningen. “Wij zijn komen vluchten, want heel Heijningen staat onder water, het is verschrikkelijk!” riep ze. We konden het ons niet voorstellen, maar aangezien de drukte en de nog harde storm, was het wel een verschrikkelijke  toestand.

Molenstraat 1 2M203

De panden met de witte gevels zijn van slager Sneep

Toen we allemaal beneden waren zei mijn vader: “Zouden we eens gaan kijken? Pak de motor en dan gaan we naar Heijningen,” Ik reed met vader achterop. We waren net voorbij de Nieuwe Molen en zagen tientallen mensen met vee op ons afkomen. Berooid en verschrikt zag men eruit. Het woeste water beukte tegen de dijkhuizen. Een vreemd gezicht. Waar anders nooit water stond, was nu een wilde zee. Bij de huisjes tegen de dijk, waar je wel eens aan de deur kwam, stond nu water tot aan de dakgoot. Waar zouden nu de bewoners zijn?

Bij de Driehoek aangekomen zei vader: “Rij asjeblief terug, dit is niet om aan te zien!” Thuis wachtten we af of de familie uit Heijningen naar ons zou komen. In de loop van de voormiddag kwamen een oom en tante van mijn moeder en later een oom en tante van mijn vader ons huis binnen. Mijn oom beheerde het poststation van Heijningen, maar in die tijd kon je maar op bepaalde uren telefoneren, van ’s morgens acht tot ’s avonds acht en verder alleen bepaalde personen in noodgevallen.

Na de middag ben ik alleen naar Heijningen gegaan. Het was een vreselijk gezicht. Hoe verder je ging, hoe erger het werd. Nog steeds zag je mensen richting Fijnaart komen. Verder spoelden nog steeds de vreemdste dingen, zoals keukengerei, meubelen en speelgoed, op de dijken. Kadavers lagen met opgezwollen buiken tegen de dijk. Het was onvoorstelbaar dat een paar dagen geleden alles normaal was. Men hoorde ook al namen van verdronken mensen noemen. De meeste kende je. Er waren gezinnen bij wie je als slager wekelijks aan de deur kwam. Sommige van die huisjes waren plotsklaps verdwenen en waar zouden hun bewoners zijn? Ik ging verder Heijningen in en zag dat de dijken dikwijls nog maar enkele meters breed waren, helemaal afgekalfd. Het was een triest gezicht, dode dieren maar ook aangespoelde aardappelkistjes van Tiengemeten.

4E25

Met een verslagen gevoel ben ik terug naar huis gegaan, waar intussen meer bekenden van ons bij ons binnen waren gevlucht. ’s Avonds zat ons huis vol volk van Heijningen en de Ruigenhilse polder. Het was niet voor lang, omdat later op de avond de mededeling kwam, dat alle mensen die zich in Fijnaart bevonden zich naar de Voorstraat moesten begeven om daar vandaan met bussen naar elders te worden gebracht. Mijn vader en ik mochten blijven vanwege de voedselvoorziening, maar mijn moeder niet en werd naar Breda gebracht. Dit was wegens de kritieke toestand van de Zwingelspaansedijk. Daar werd nog gevochten om de polder De Oude Fijnaart droog te houden. Mijn vader en ik waren niet lang alleen, want er meldden zich al gauw een paar veeboeren bij ons, die net als wij, ook nog veel op stal hadden. Dit vee was niet geëvacueerd maar was voor eigen risico op stal gebleven. De toestand werd natuurlijk besproken en we waren toch wel ongerust. Ik moest met de fiets naar de Langeweg om te gaan kijken hoe ver het water er nu stond.

In de Wilhelminastraat was het angstig stil, geen lichtje te zien, spookachtig  donker. Ergens hoorde ik een wasmachine bonken, in de haast vergeten uit te zetten waarschijnlijk. Ik was tot de begraafplaats gekomen, tot daar stond het water. Ik had toen geen idee dat twee kilometer verderop  gevochten werd om de dijk te behouden om het dorp droog te houden. Als de dijk het begeven zou hebben, had ik nooit thuis kunnen komen.

Toen ik weer thuis was en mijn verslag gedaan had, werd er gebeld en stond er iemand van het Rode Kruis aan de deur om te vragen of ik worst kon snijden. Dus ik heb de winkeldeur geopend, de worsten gepakt en met de machine klein gesneden. Even later weer worst voor het dijkleger. Daardoor ben ik die nacht amper naar bed geweest.
De volgende morgen, dus maandag, werd ik verzocht op het Gemeentehuis te verschijnen. Daar werd mij een postzak in handen gedrukt met de vraag of ik wilde proberen deze naar Oudenbosch te brengen. Ik dacht wel dat het zou gaan op de motor.Op sommige plaatsen moest ik mijn benen op het stuur leggen om door het water te komen. ’s Middags was mijn moeder weer terug van haar evacuatieadres; ze was een nacht in Breda geweest. Mijn vader en ik hadden het best druk. Het was niet alleen de snijmachine die ons bezig hield, maar er was ook gevraagd om warm eten te maken voor de mannen aan de dijk.

4E28

Natuurlijk begonnen we ook daar weer aan. We hadden in onze slagerij een groot gasgestookt fornuis. Er werden gamellen gebracht, waarin het warme eten zou worden opgehaald. Dat ging zo dagelijks door ’s morgens leeg gebracht en ’s middags weer vol opgehaald. Groenteboer Boelhouwers was inmiddels ook weer terug in Fijnaart, daar konden we  aardappels en groenten kopen. We waren overeengekomen dat de aardappels geschrapt werden geleverd, verder moesten we het zelf uitzoeken. Het waren meestal stamppotten die we fabriceerden, met vlees en jus erbij.

We hadden succes, hoorden we later, want de warme maaltijd werd met vreugde ontvangen. Soms was het ook erwtensoep en voor zondag waren er aardappels, groenten en vlees apart. Dat was wel arbeidsintensief. Dit hebben we weken achtereen gedaan. Ook weet ik nog dat ik dinsdags na de ramp, een schaaltje vleeswaren moest maken voor het gemeentehuis. Het bleek voor Hare Majesteit Koningin Juliana bestemd te zijn, dus voelde ik me een hofleverancier. Het bleek dat de Koningin de plaatsen van de ramp bezocht.

4E99

Al na enkele weken kwamen de meeste inwoners weer terug in Fijnaart en begon voor ons het gewone leven weer. Veel Fijnaarters namen families uit Heijningen als evacuées op in hun huis, maar de meesten bleven op hun eerste evacuatieadres in de omgeving. Aan de dijken werd steeds gewerkt en er was altijd bewaking. Toen het water gezakt was, bleef slib, wrakhout en allerlei spullen achter. Bekend werd dat er tientallen doden te betreuren waren en nog steeds werden lichamen gevonden.

Het was een trieste tijd die ik ook na zoveel jaren niet vergeet.

Overgenomen uit het boek Een Herinnering, waar nog meer verhalen in staan.
Hebt u interesse? Dit boek is nog steeds te verkrijgen in onze Watersnoodwoning.